donderdag 4 juni 2015

De schouwburg, Heerlen

Veilig werken is een mensenrecht

Mijnwerkers in Turkije, Wit Rusland, Columbia en oud-mijnwerkers uit Limburg kregen tijdens een indrukwekkende mijnwerkersconferentie FNV de kans om met elkaar in gesprek te gaan. Kaderleden van de sector industrie van FNV, TIE-Netherlands en FNV Mondiaal organiseerde een conferentie over arbeidsveiligheid en mijnbouw getiteld "Sterke vakbonden voor veilige mijnen, veilig werken is een mensenrecht". Er werd vooral stil gestaan bij de huidige werkomstandigheden van mijnarbeid, waarbij de arbeidsomstandigheden van de Limburgse mijnwerkers 50 jaar geleden als vergelijkingsmateriaal diende. Wethouder Jordy Clemens gaf een bevlogen toespraak waarin hij voortborduurde op Henk Smeijsters' betoog in De Limburger "De koempel is terug" over de comeback van Roda (De Limburger, dinsdag 2 juni). Ingaand op het Jaar van de Mijnen benadrukte Clemens met trots dat de koempel terug is: "De enige juiste term voor dat nieuwe optimisme in de mijnstreek, voor die actiebereidheid, voor dat geloof in eigen kunnen en voor die hervonden trots op wat ons bindt en sterk maakt... De enige juiste term daarvoor is koempelmentaliteit."

Lees hier openingstoespraak van gouverneur Theo Bovens:

De toespraak van wethouder Jordy Clemens:

"De koempel is terug"
Dat was de titel die ik voor dit verhaal in gedachte had toen ik de vorige week de eerste letters in gedachte nam.

De koempel is terug.
Was – ongetwijfeld niet geheel toevallig - ook de titel van een opinie-artikel van dr. Henk Smeijsters, docent aan de Hogeschool Zuyd te Heerlen, in dagblad de Limburger van afgelopen week. Niet toevallig omdat de heer Smeijsters in zijn stuk spreekt van de herwonnen identiteit in de voormalige Oostelijke Mijnstreek. Daartoe neemt hij de promotie van Roda JC naar de Eredivisie en de manier waarop die club en haar fans zich met het mijnverleden identificeren als voorbeeld.

Hoe anders waren de gedachten tien jaar geleden nog.

In zijn essay ‘Once upon a Time in the South’ uit 2004 beschrijft historicus Bart Gielen de Oostelijke Mijnstreek na de mijnsluitingen aan de hand van de Markt in Kerkrade. Op dat plein staat sinds jaar en dag het grote standbeeld van D’r Joep: een noeste mijnwerker. Maar waar 50 jaar geleden D’r Joep nog uitkeek over één van de bruisende en belangrijke centra van de Oostelijke Mijnstreek, keek hij nu nog slechts uit op een nagenoeg leeg plein, waar hoogstens nog enkele bejaarden - al dan niet mopperend - langssjokten.

Met D’r Joep als focal point schetste Gielen een beeld van de Mijnstreek dat bij velen wel op herkenning stuitte: dat van een ingeslapen, vergrijzende, straatarme en verloren regio. Bovendien een regio waar wantrouwen in de overheid hoogtij vierde en waar het geloof in eigen kunnen naar een dieptepunt was gedaald. Groot was dan ook het contrast met Maastricht, de stad van de chique en de internationale ambitie. En vooral van de jeugd.

Dat de Nederlandse mijnbouw met de opkomst van goedkope arbeid elders en de vondst van het makkelijker te winnen aardgas op den duur onhoudbaar zou blijken, was voor niemand een verrassing. Maar de wijze waarop de Oostelijke Mijnstreek transformeerde van één van de rijkste gebieden van Nederland naar een compleet nieuwe constellatie zou bepalend blijken voor de kleine halve eeuw die op de aankondiging van de mijnsluitingen zou volgen.

Die aankondiging vond hier plaats, in deze schouwburg, door toenmalig minister van economische zaken en de latere premier, Joop den Uyl, op 17 december 1965. Dit jaar dus precies 50 jaar geleden. Die historische toespraak stond niet op zich maar was gebaseerd op de Eerste Mijnnota, die uitging van het belangrijke principe dat er geen mijnsluiting plaats zou vinden zonder dat er redelijk zicht op vervanging voor de op den duur 45.000 directe, en zo'n 30.000 indirecte, te vervallen arbeidsplaatsen.

Het is goed om ons te realiseren dat de economie van die tijd een monocultuur was zoals we ons die nu nauwelijks meer kunnen voorstellen. Wie in de Oostelijke Mijnstreek niet voor de mijnen werkte, werkte wel in één van de talloze toeleveringsbedrijven, variërend van bouwvakkers die mijnwerkerswoningen bouwden tot en met frisdrankfabriekjes die de koempels van een verfrissend drankje voorzagen. De steden in de Oostelijke Mijnstreek behoorden tot de rijksten van het land en de welvaart leek geen grenzen te kennen. Het hele land stookte lange tijd op de krach va dr koelmaan.

(...)

De herstructurering van de mijnstreek, en daarmee eigenlijk van heel Zuid-Limburg was van een ongekende schaal. Dat maakte de belofte van vervangende arbeid dan ook tot een nauwelijks te bevatten opgave. Getuige de DAF-fabriek die in Born opende met de verwachting een vliegwiel voor de Zuid-Limburgse economie te worden maar die met moeite 3000 banen wist te creëren. Andere stimuleringsmaatrelen zoals subsidies voor nieuwe bedrijvigheid zorgden slechts voor tijdelijke oplevingen.

Het realisme, dat het in stand houden van alle bestaande mijnen en dus van de monocultuur in de regio eigenlijk geen optie was, was in die tijd wijdverbreid. Van de hoogste directeur tot en met de melkboer heerste wel de overtuiging dat men zo niet tot in lengte van dagen verder kon. Steeds minder Limburgers wilden het vieze en gevaarlijke werk in de mijnen verrichten, en in toenemende mate liet men dat dan ook over aan gastarbeiders. Bovendien leden veel mijnen forse verliezen.

In dat licht moeten we ook de reacties van veel mensen uit die tijd zien: eindelijk zou Den Haag ons weer op het juiste economische spoor gaan brengen.

Echter, de snelheid waarmee uiteindelijk alle mijnen werden gesloten, het uitblijven van grootschalige nieuwe werkgelegenheid en de economische tegenwind in de jaren 70 maakten dat de ambities van vervangende werkgelegenheid en een herstructurering van de regio, onder andere met nieuwe industrie, uiteindelijk een onhaalbaar doel bleken.

Exemplarisch voor deze tijd zijn de voorbeelden van bedrijven die met overheidssubsidies naar de Oostelijke Mijnstreek werden gehaald, hun subsidie opsoupeerden, en vervolgens doodleuk weer vertrokken. Het moge duidelijk zijn dat deze subsidieregelingen, die steeds ruimhartiger moesten worden om bedrijven over de streep te trekken, eufemistisch gezegd niet de allersterkste bedrijven naar onze regio trok. Dit hield niet alleen de werkloosheid op den duur in stand, maar voedde bovendien de cynische visie die veel oud-koempels op de rap veranderende wereld om hen heen hadden.

(…)

Pas achteraf zijn we die toespraak van Den Uyl in 1965 als een keerpunt in de geschiedenis van de Nederlandse mijnbouw gaan zien. Het was immers niet Den Uyl die de volledige sluiting van alle mijnen bepleitte, maar zijn opvolger De Block. Hij sprak, en dat is achteraf gezien misschien wel nóg wranger, van Zuid-Limburg als het ‘Detroit van Nederland’. De Block was uiteindelijk ook verantwoordelijk voor de Tweede Mijnnota, waarmee een definitief einde kwam aan de mijnbouw in Limburg.

De conclusie van deze episode is tweeledig. Enerzijds moeten we constateren dat de Nederlandse overheid de impact van de mijnsluitingen onderschat heeft, en niet de lange adem bleek te heben die voor de herstructurering nodig was. Wat er wel gebeurde was veelal too little, too late.

Anderzijds moeten we ook vaststellen dat de verwachtingen bijzonder hooggespannen waren. Dat is niet gek, want de beloftes die aan de vooravond van de mijnsluiting waren gedaan gaven daar ook alle reden toe. Immers, geen mijnsluitingen zonder vervangende arbeid was het credo. Dat werd door veel Limburgse bestuurders (een enkeling, met name van de mijnwerkersbond daargelaten) als een duidelijke toezegging gezien. De stemming was relatief opgetogen en hoopvol.

Des te groter was later de teleurstelling toen de rijksoverheid niet kon leveren en de Oostelijke Mijnstreek steeds verder wegzakte. De kiem voor een diepgeworteld wantrouwen naar alle autoriteiten, maar vooral naar Den Haag, was daarmee gelegd.

Een ander element aan de mijnsluiting dat in de komende decennia cruciaal zou blijken, was meer van sociale aard. De directie van de mijnen en de katholieke kerk hadden jaren lang de samenleving in de mijnstreek in hun greep gehad. Al die tijd hadden beiden samen met hun politieke bondgenoten de dienst uitgemaakt en het was nagenoeg onmogelijk om zonder hun medewerking iets van de grond te krijgen. Daarmee hadden beide machten gezorgd voor een hardwerkende, maar relatief passieve arbeidersklasse.

Met het verdwijnen van de mijnen en de vergaande deconfessionalisering van de samenleving ontstond er een enorm mentaal gat. Veel koempels ervaarden vooral dat met het wegvallen van hun broodwinning – hun trots-, ook nog eens de kameraadschap uit de mijnen en de sociale verbondenheid in hun buurten verdwenen. Voor veel oud-mijnwerkers en hun families die achterbleven waren zaken als psychische problemen, ziekte en arbeidsongeschiktheid nu aan de orde van de dag.

Uit deze nieuwe post-mijnbouwsamenleving trokken jongeren, hoogopgeleiden en kapitaalkrachtigen in rap tempo weg. De bevolking die overbleef liet zich kenmerken door een laag opleidingsniveau, slechte gezondheid en lage beroepsdeelneming. Dit resulteerde in een regio die aan het eind van de 20e eeuw vooral naam maakte als plek waar armoede en criminaliteit hoogtij vierden.

(...)

De invloed van deze geschiedenis op de Oostelijke Mijnstreek tot op de dag van vandaag valt niet te onderschatten. Echter, ik beschrijf deze omdat ze het decor vormt voor iets heel anders. Lange tijd hebben Mijnstrekenaren hun verleden weggestopt, het leek soms wel of ze zich schaamden voor wie ze zijn en waren en dat uitte zich onder meer in het feit dat veel fysieke verwijzingen naar het mijnverleden in rap tempo met de grond gelijk zijn gemaakt. De voor sommige regio’s natuurlijke trots op afkomst en karakter leek hier voor een deel mét de mijnen te zijn verdwenen.

En juist daarin is de laatste jaren een grote verandering in gang gezet in de voormalige mijnstreek.

(…)

Het is geen toeval dat wij hier elkaar vandaag in dit jaar treffen. Precies 50 jaar nadat Joop den Uyl hier zijn toespraak hield herdenken we in de voormalige mijnstreek hoe dat mijnverleden ons gevormd heeft, maar staan we ook stil bij wie we zijn, wat ons bindt en bij de kansen van deze regio. Daarbij komt een ongekende energie vrij.

De laatste jaren komen er onvoorstelbaar veel initiatieven los en lijkt de uitdaging vooral om al die ideeën te kanaliseren. We zien dat bijvoorbeeld in de IBA, een enorme beweging waarin herstructurering niet als doel op zich wordt neergezet maar als vehikel om grotere bewegingen op gang te brengen. Talloze initiatieven komen daartoe tot ontwikkeling en meer dan ooit blijken private partijen bereid in de omgeving te investeren.

Dat laatste zien we ook als we kijken naar het centrum van Heerlen, centrumstad van de Oostelijke Mijnstreek. Het stationsgebied was daar aan het eind van de vorige eeuw hèt epicentrum van drugsoverlast, prostitutie en andere criminaliteit. Door samen die criminelen uit onze stad te verjagen, én opvang te bieden aan de allerzwaksten, de slachtoffers van de criminaliteit, hebben we deze vreselijke ellende samen een halt toe kunnen roepen. Nu wordt datzelfde stationsgebied opnieuw ingericht en wordt er op die plek voor een kleine 150 miljoen door derden in de stad geïnvesteerd.

Een andere belangrijke ontwikkeling is de manier waarop in deze regio de transitie naar duurzame energie ter hand wordt genomen. De oude mijngangen, inmiddels volgelopen met door aardwarmte verwarmd water, gebruiken we tegenwoordig om gebouwen in onze stad te verwarmen. Een prachtig verhaal. Immers, in dezelfde mijngangen waar vroeger koempels keihard werkten om onder de grond de energie van toen te produceren, wordt nu de energie van de toekomst geproduceerd. Een mooiere verbinding met ons roemruchte verleden kunnen we ons nauwelijks voorstellen.

Dat kán, in de nieuwe Oostelijke Mijnstreek.

Aan het begin van mijn verhaal refereerde ik al aan het verschil tussen Heerlen en Maastricht. Men zou ook kunnen zeggen dat Maastricht misschien meer ‘af’ is, waar Heerlen de stad met het rauwe randje is. Dat betekent dat er in deze regio ruimte is voor experiment, voor innovatie. Dat blijkt uit de eerdergenoemde voorbeelden, maar bijvoorbeeld ook uit de culturele lente die de stad de laatste jaren doormaakte. Veel kunstenaars, architecten en musici zien in Heerlen een plek waar het allemaal kan. Dat is de plus die een regio in zo’n enorme transitie kan bieden.

Heeft de Oostelijke Mijnstreek de achterstand dan ingehaald? Nee.
Zijn alle ingrediënten aanwezig om het verhaal van de Oostelijke Mijnstreek tot een succesverhaal te maken? Zonder enige twijfel.

Het eerdergenoemde wantrouwen naar de macht, gecombineerd met een mentaliteit van ‘het is niks en wordt niks’ wordt steeds vaker vertaald in positief activisme. Een cultuur van de ‘de schouders eronder’ en ‘als we niet krijgen waar we recht op hebben dan gaan we het halen’. Ook waar het gaat om de strijd tegen armoede en sociale ongelijkheid is dát de houding die de laatste jaren deze streek is gaan vormen. En zo kan ik nog talloze voorbeelden noemen.

(...)

De enige juiste term voor dat nieuwe optimisme in de mijnstreek, voor die actiebereid, voor dat geloof in eigen kunnen en voor die hervonden trots op wat ons bindt en sterk maakt... De enige juiste term daarvoor is koempelmentaliteit.

(…)

Ik begon mijn verhaal met een verwijzing naar D’r Joep op de Markt in Kerkrade. Die Joep droeg na de promotie van Roda afgelopen zondag trots de geelzwarte koempel-sjaal. En die beruchte Markt? Die was bom-, en bomvol. Met Mijnstrekenaren uit alle voormalige koloniën en steden. Die samen hard werken aan onze nieuwe toekomst, maar ook met respect en trots terugkijken naar de noeste arbeid van hun vaders en grootvaders ondergronds. En af en toe staan ze even stil, en stellen ze zich die ene belangrijke vraag: witse nog, koempel?